Houwen was in 1978 begonnen met het verzamelen van namen en gegevens over voormalig verzetsdeelnemers uit stad en provincie Groningen. Hij ontving een invaliditeitspensioen via de Stichting ‘40-’45 en koos een vorm van tijdsbesteding die aansloot bij zijn speciale belangstelling voor het verzet in de Tweede Wereldoorlog. In het gebouw van de Stichting ‘40-’45 aan de Westersingel in Groningen stelde men hem voor zijn werk een kamer met telefoon ter beschikking. Daar ontving hij veel oud-verzetsmensen en andere betrokkenen, waardoor Houwen zijn archief kon uitbreiden met steeds meer informatie, verslagen, documenten, persoonsgegevens en persoonlijke archieven. Die gegevens werden ook gebruikt door de Stichting ‘40-’45 voor het screenen van aanvragen voor een buitengewoon pensioen.
Jacob Kooij, gepensioneerd adjudant-rechercheur bij de Groningse gemeentepolitie, was betrokken bij die onderzoeken en assisteerde Houwen bij het archiefwerk. Het personeel van de Stichting ‘40-’45 en anderen werden daarbij ook incidenteel ingeschakeld. ‘Jaap’ Kooij was in die beginfase een belangrijke medewerker, omdat hij een aantal jaren werkzaam was geweest bij de opsporingsonderzoeken van de Politieke Opsporingsdienst (POD) en de Politieke Recherche Afdeling (PRA) in Groningen. Deze twee instanties hielden zich bezig met het opsporen en ter berechting brengen van oorlogsmisdadigers, klein en groot.
Door middel van zijn gesprekken met oud-verzetsmensen, de hulp en assistentie van genoemde personen en zijn eigen doorzettingsvermogen slaagde Houwen erin een uitvoerig kaartsysteem op te zetten. Binnen enkele jaren groeide dit uit tot een archief van ruim 4000 persoonskaarten van verzetsdeelnemers uit de stad en provincie Groningen. Op deze kaarten waren onder andere gegevens te vinden over de activiteiten tijdens de bezetting, verzetsgroepen waar men bij betrokken was geweest, namen van personen waarmee contacten werden onderhouden, schuilnamen, gegevens over evt. arrestaties en plaatsen waar men dan gevangen had gezeten. Ook werd op de kaarten verwezen naar uitgebreidere persoonlijke verslagen van de activiteiten en naar verslagen van anderen over de persoon op de kaart. Houwen stelde ook lijsten samen van diverse verzetsgroepen en organisaties die in deze provincie actief waren geweest. Hij onderhield hierover contacten met alle gemeenten van de provincie en het provinciale bestuur, alsmede met de archivarissen van het rijk en de gemeente Groningen.
In dit omvangrijke werk was Houwen een gedrevene. Zijn schrijfmachine stond ook in de weekeinden en vakanties niet stil. Zijn vakantiehuisje op Terschelling was voor hem een ideaal werkoord. Behalve een dienstverlening aan de na-oorlogse generaties en een zo uitgebreid mogelijke voorlichting over het verzet in Groningen wilde hij met zijn werk ook vaststellen wie er daadwerkelijk aan het verzet had deelgenomen. Naar zijn mening bestonden er teveel “na-oorlogse” verzetsmensen. Twijfelgevallen werden door Houwen geballotteerd. Dit werd hem niet altijd in dank afgenomen door de mensen die hij zo had geschift.