In hetzelfde jaar 1990 organiseerde de Stichting Verzetsdocumentatie in samenwerking met een aantal leden van bovengenoemde verzetsverenigingen en de Groningse oorlogsverzamelaars Onstenk en Huizinga de tentoonstelling Verzet en vervolging 1933-19NU in de Martinikerk. Het bestuur van die tentoonstellingscommissie werd gevormd door Ad Mulder (voorzitter), Harm Schuur (secretaris) en Harry Roossien (penningmeester). Bij de opening en sluiting van deze tentoonstelling waren ook de CdK Vonhoff en toenmalig burgemeester Staatsen betrokken.
Door het succes van de tentoonstelling (ruim 10.000 bezoekers) ging het idee voor een Gronings oorlogs- en verzetsmuseum leven. Om dit idee uit te werken werd de tentoonstellingscommissie omgedoopt tot museumcommissie. Oud-CPN-wethouder Van Zanten nam ook deel aan deze commissie. De leden van de drie participerende verzetsverenigingen namen deel op persoonlijke titel. De commissie was hierdoor autonoom in haar optreden.
Bij de verdere ontwikkeling van het museumplan werd door de betreffende commisie advies en medewerking gevraagd van burgemeester Staatsen. Er werd een adviescommissie ingesteld, die werd gevormd door de heer Van der Broek (gemeentearchivaris), mevrouw Ast-Boiten (Groninger Museum) en de heer Pieters van de gemeente. Het plan om expositieruimte te verkrijgen in het Groninger Museum heeft lang stand gehouden, maar kon tenslotte in het nieuwe museumgebouw niet worden gerealiseerd.
Omtrent de bestemming van het archief van de Stichting Verzetsdocumentatie werd in de jaren tachtig enige malen overleg gepleegd met de heer Vonhoff, CdK. Die was van mening dat het Rijksarchief daarvoor een juiste bestemming zou zijn, omdat het materiaal betrekking heeft op de gehele provincie Groningen. Wegens ruimtegebrek kon in dat archief geen kantoorruimte ter beschikking worden gesteld. Omdat het materiaal regelmatig voor informatie, studie en voorlichting wordt gebruikt, was het opbergen daarvan in archiefdozen toen nog niet aan de orde. Toen dit materiaal later in het oude gebouw van het gemeentearchief moest worden ondergebracht, omdat de huisvester tot dan toe, de Stichting ‘40-’45 naar Drachten vertrok, was het aanvankelijk de bedoeling om onderdak te verkrijgen in het in aanbouw zijnde Rijks- en gemeentearchief aan het Cascadeplein. Wegens ruimtegebrek kwam deze optie te vervallen.
In mei 1990 vroeg het Groningse gemeenteraadslid mevrouw Wessels-Potman, tevens secretaresse voor de Stichting Verzetsdocumentatie, aan het College van B & W of het mogelijk zou zijn om in Groningen een permanente tentoonstellingsruimte te creëren voor het oorlogs- en verzetsmateriaal. Hierop antwoordde het College het van belang te achten dat het in particulier bezit zijnde materiaal goed zou worden geconserveerd en regelmatig zou worden tentoongesteld. Naar aanleiding daarvan ging het overleg tussen de museumcommissie van de samenwerkende Groningse verzetsverenigingen en vertegenwoordigers van de hierbij betrokken gemeentelijke instanties op verintensiveerde voet verder.