Reinder Paul Houwen werd geboren op 20 mei 1913 te Groningen en was getrouwd met Anna Hoving. Voor de oorlog was hij werkzaam als vertegenwoordiger bij Bruynzeel in Zaandam. Tot de capitulatie in mei 1940 was hij onderofficier in het Nederlandse leger. Als verzetsman werd hij vooral actief na april 1943, toen hij als voormalig militair werd opgeroepen zich te melden bij de bezetter. Hij riep voormalig militairen op zich aan deze gevangenschap te onttrekken, regelde onderduikadressen en organiseerde de zorg voor deze mensen en hun gezinnen.
De activiteiten in het kader van deze ‘anti-meldingscampagne’ breidden zich steeds verder uit, ook al omdat voor al die onderduikers onder andere persoonsbewijzen, stempels en bonkaarten nodig waren. Houwen vond het belangrijk dat hij en zijn mensen ook voor de gevolgen van de anti-meldingscampagne voor de onderduikers garant konden staan. Zo was hij ook betrokken bij de voorbereiding van de overval op drukkerij Hoitsema, waarbij meer dan 133.000 bonkaarten werden buitgemaakt, de grootste ‘vangst’ bij een dergelijke overval tijdens de bezetting. Ook joodse onderduikers werden door Houwen niet vergeten.
Via het werk dat voortvloeide uit de anti-meldingscampagne raakte Houwen steeds verder betrokken bij het verzet in de stad Groningen. Hij kreeg contact met andere verzetsgroepen. Zo speelde hij als medewerker van de Centrale Inlichtingen Dienst een belangrijke rol in de contacten tussen Engeland en het noordelijk verzet.
Op 25 september 1944 werd hij door de SD gearresteerd in de Pelsterstraat, na een schietpartij waarbij hij gewond raakte. Dankzij een list, waarbij Houwen door vrienden in politie-uniform zgn. mee moest worden genomen naar het Scholtenshuis voor verhoor, kon hij twee weken later worden bevrijd uit het Huis van Bewaring te Groningen. De opdracht voor dit verhoor zou van de SD op het Scholtenshuis zijn gekomen, maar in werkelijkheid betrof het een door bevriende PTT-mensen opgezette telefoonlijn en –gesprek. Deze list slaagde, maar er waren nog twee eerdere bevrijdingspogingen aan vooraf gegaan.
Houwen bleef de rest van de oorlog uiteraard ondergedoken. Het duurde enige tijd voor hij van zijn schotwonden was opgeknapt. Kort voor de bevrijding werd Houwen tijdens een razzia opnieuw opgepakt, maar ook deze keer slaagde hij erin – nu op eigen houtje – te ontsnappen. Op 8 april werd hij op een onderduikadres weer verenigd met zijn vrouw en kinderen. Op 16 april was Groningen bevrijd.
Alidus Anne Jannes Mulder (schuilnamen ‘Wim’ en ‘Theo’ tijdens de oorlog) werd geboren op 25 oktober 1920 te Emmen. Na de MULO en een technische opleiding ging hij in 1939 in militaire dienst. Tijdens de inval door de Duitsers heeft hij deelgenomen aan de strijd bij de Maasbruggen. In juni nam hij ontslag uit dienst en 4 maanden nadien kreeg hij een aanstelling bij de marechaussee in Oud-Schoonebeek. In ’43 werd hij overgeplaatst naar de verkeersafdeling van de marechaussee, alwaar hij werd gedetacheerd bij de arrondissementsrechtbank van Groningen. Hij vervoerde arrestanten van het Huis van Bewaring naar de rechtbank en weer terug. Omdat hij in uniform was en de wagen van de rechtbank tot zijn beschikking had, kon hij het verzet vele goede diensten verlenen.
Via een ondergedoken student, de latere schrijver en dichter Bert Schierbeek, kwam hij in de loop van ’43 met het verzet in aanraking en in augustus dat jaar werd hij lid van de knokploeg Groningen II. Zodoende kreeg hij steeds meer illegale contacten. Zijn activiteiten bestonden o.a. uit het vervoer van illegale bonkaarten, en illegale kranten als Ons vrije Nederland. Hij vervoerde onderduikers en bracht wapens van droppingsterreinen in Drenthe naar de stad. Hij vervoerde een marconist met zendapparatuur naar Vries, bracht sabotagemateriaal op de plek van bestemming en verleende hulp aan de deelnemers aan de spoorwegstaking in Groningen.
Op 12 december 1944 moest hij onderduiken, daar zijn handelen met de auto van de rechtbank het argwaan van de SD had opgewekt. Op het laatste moment werd hij ingelicht dat in zijn kosthuis 5 SD’ers hem opwachtten. Tot aan de bevrijding heeft hij op 6 onderduikadressen gezeten. De SD heeft nog verschillende pogingen ondernomen om hem op te pakken.
In die onderduikperiode was Mulder wel betrokken bij het verzet en bij het ontstaan van de Binnenlandse Strijdkrachten, in de rang van sectiecommandant. Na de bevrijding van Groningen werd hij pelotonscommandant bij de oprichting van de 1e Compagnie Stoottroepen in Groningen. In juli ’45 ging hij werken voor de POD, de latere PRA, tot 1948. Hij was onder andere betrokken bij de arrestatie van de ongeveer 50 SD’ers op Schiermonnikoog. Om de terugtocht naar Groningen nam hij plaats op de bumper van de politieauto om de auto met de arrestanten Haasse, Belmer en Lehnhoff te beschermen tegen de uitgelaten volksmenigte. Bij de verhoren van Lehnhoff waarbij ook Mulder aanwezig was, heeft Lehnhoff Mulder gefeliciteerd met het feit dat hij nooit opgepakt was geweest, omdat het er anders niet best voor hem uit zou hebben gezien. Een felicitatie met het feit dat hij nog in leven was…
In 1950 werd de doodstraf die Lehnhoff was opgelegd ten uitvoer gebracht.
Ad Mulder is op 20 augustus 2010 overleden.
Over het leven van Ad Mulder verscheen in 2001 het boek Verzetsman in uniform. Dit boek is geschreven door Ad Mulder zelf onder redactie van Dirk Mulder, vice-voorzitter van OVCG. Het initiatief voor het boek kwam van OVCG, dat ook heeft zorggedragen voor het onderzoek en de vele uren aan interviews en de indeling van het boek. Op het symposium ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van OVCG werd het eerste exemplaar overhandigd van Verzetsman in uniform aan burgemeester Jacq. Wallage.